Het studiekostenbeding en zijn geldigheid

Soms volgen werknemers een opleiding op kosten van de werkgever. Over het algemeen zal deze investering ‘te gelde kunnen worden gemaakt’ door de werkgever. Indien de werknemer vroegtijdig vertrekt zal hij/zij echter vaak aan een zogeheten studiekostenbeding worden gehouden. In sommige gevallen roepen dergelijke terugbetalingen van studiekosten vragen op. In de wet zijn namelijk geen regels over een studiekostenbeding opgenomen. Het studiekostenbeding is niet altijd geldig, de Hoge Raad heeft aan de bedingen namelijk verschillende eisen gesteld.  

Volgens de Hoge Raad is een afspraak tot terugbetaling van studiekosten mogelijk, in geval aan verschillende voorwaarden wordt voldaan. Deze regeling dient altijd schriftelijk te worden aangegaan en moet vermelden dat de werknemer de studiekosten moet terugbetalen, indien de arbeidsovereenkomst tijdens de studie of direct erna eindigt. Daarnaast moet de periode worden vermeld waarin de werkgever wordt geacht baat te hebben van de door de werknemer opgedane kennis. De norm is drie jaar maar daar kan van worden afgeweken. Verder moet de verplichting tot terugbetaling verminderen naarmate de arbeidsovereenkomst langer voortduurt, de zogeheten glijdende schaal. Indien dus de helft van de tijd is verstreken hoeft ook de helft van de kosten nog maar terug worden betaald. Het volgende vereiste is dat de verplichting helder en duidelijk is voor de werknemer. Dat wil zeggen dat er in duidelijke bewoordingen staat welke kosten onder welke omstandigheden terug kunnen worden gevorderd. De Hoge Raad zegt niet expliciet dat dit schriftelijk moet, maar om toekomstige bewijsproblemen te voorkomen is het ten zeerste aan te raden om ook deze afspraken schriftelijk vast te leggen. Naast deze drie vereisten mag een studiekostenbeding niet conflicteren met andere bepalingen, zoals de Wet minimumloon. Het salaris van de werknemer door de regeling mag namelijk nooit lager uitkomen dan het wettelijk minimumloon. 

Vaak rijst de vraag hoe het nu zit in het geval van ontslag terwijl er nog openstaande studiekosten zijn. Moeten deze worden kwijtgescholden? Het is volgens de Hoge Raad van belang wie het initiatief neemt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Indien de werkgever initiatief neemt, en dus de werknemer ontslaat, heeft het studiekostenbeding weinig kans van slagen. Wanneer een werknemer ontslag neemt door een onzekere situatie op werk, denk aan een reorganisatie, dan is het beding vaak ongeldig. Of een terugbetalingsregeling overeind blijft bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd is afhankelijk van het specifieke geval en dan dus erg casuïstisch.  

Een ander veelvoorkomende vraag is wat studiekosten precies zijn? In beginsel zijn studiekosten de kosten van het lesmateriaal en de cursus. Verder volgt uit jurisprudentie dat het ook mogelijk is een gedeelte van het loon dat door de werknemer tijdens de studietijd is ontvangen wordt teruggevorderd.  

De werknemer mag dus onder bepaalde voorwaarden aan een studiekostenbeding worden gehouden. Aan te raden is om dit beding duidelijk en schriftelijk vast te leggen om conflicten die rijzen uit zulke afspraken te voorkomen.  

Enkele zaken die juridisch van belang zijn indien u ongehuwd kinderen krijgt

Vroeger was het een schande, maar tegenwoordig komt het steeds vaker voor dat mensen ongehuwd (lees ook: zonder geregistreerd partnerschap) kinderen krijgen. Maar let op! Zaken die van rechtswege geregeld zijn indien u gehuwd kinderen krijgt, dienen nog wel geregeld te worden in het geval u ongehuwd kinderen krijgt.

Ten eerste bestaat er – anders dan wanneer een kind binnen een huwelijk wordt geboren – nog geen familierechtelijke betrekking tussen de vader en het kind. De vader zal het kind moeten erkennen om voornoemde betrekking alsnog tot stand te laten komen. Als gevolg van de erkenning wordt de vader aangemerkt als juridisch ouder. Hierdoor wordt hij onder andere verplicht om zijn kind te onderhouden totdat het de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt en worden vader en kind elkaars wettelijke erfgenamen. Om het kind te kunnen erkennen heeft de vader toestemming nodig van de biologische moeder van het kind. Indien de moeder weigert toestemming te geven, kan vervangende toestemming worden gegeven door de rechter. Wanner de vader de benodigde toestemming heeft gekregen, kan de erkenning worden geregeld bij de Burgerlijke Stand in uw gemeente. Het is mogelijk om het kind reeds tijdens de zwangerschap te erkennen. Er is dan sprake van de erkenning van een ongeboren vrucht. Erkenning na de geboorte is ook mogelijk, maar om problemen te voorkomen is het raadzaam om de erkenning in een zo vroeg mogelijk stadium te regelen.

Daarnaast is het van belang dat de vader het gezag over het kind eveneens niet van rechtswege heeft, indien het kind niet binnen een huwelijk wordt geboren. Er dient gezamenlijk gezag te worden aangevraagd bij de rechtbank. Als u gezag heeft over een kind bent u verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind. Verder beheert de met het gezag beklede ouder het vermogen van de minderjarige en is hij of zij diens wettelijk vertegenwoordiger. De vader dient eerst het kind te hebben erkend voordat er gezamenlijk gezag kan worden aangevraagd. Daarnaast moet de biologische moeder wederom toestemming geven. Indien de moeder toestemming weigert te geven, kan vervangende toestemming worden gegeven door de rechter. Indien de benodigde toestemming is verkregen, kan het gezag worden aangevraagd via het digitaal loket Rechtspraak.nl.

Om te voorkomen dat er problemen ontstaan indien u uit elkaar gaat, is het van belang om voornoemde zaken goed te regelen. Mocht u nog vragen hebben naar aanleiding van deze blog, dan kunt u altijd contact opnemen met de Vereniging Rechtswinkel Utrecht.

Koop breekt geen huur

De hoofdregel die geldt wanneer uw verhuurder het pand gaat verkopen is het zogeheten ‘koop breekt geen huur’. Dit betekent dat het verkopen van een pand niet betekent dat een huurovereenkomst eindigt. De koper van het pand neemt alle rechten van uw verhuurder over. Dit is vast gelegd in de wet (artikel 7:226 BW) en geldt voor zowel woon- als bedrijfsruimte. Dit is dwingend recht, dat betekent dat hier niet van afgeweken kan worden.

Het enige wat de verhuurder kan proberen te doen is de huurovereenkomst met u opzeggen. Wanneer deze opzegging rechtsgeldig is is afhankelijk van verschillende omstandigheden: heeft u een huurcontract voor bepaalde of onbepaalde tijd? Wat is de termijn waarop opgezegd is? Wat is de reden van opzegging? Het is ook van belang om hierbij het huurcontract te raadplegen, want de afspraken die hierin gemaakt zijn dienen in eerste instantie gevolgd te worden. De wetsbepalingen die de huurder beschermen zijn gedeeltelijk van dwingend recht, wat inhoudt dat er slechts van deze bepalingen afgeweken kan worden in het voordeel van de huurder. Bijvoorbeeld: de minimale opzegtermijn voor de verhuurder die gehanteerd wordt bij huurovereenkomsten van onbepaalde tijd is drie maanden (artikel 7:271 lid 5 BW). Het is dus niet mogelijk om in een huurovereenkomst af te spreken dat de opzegtermijn maar één maand is.

Tot slot de reden van opzegging: er zijn maar zes opzeggingsgronden die de verhuurder kan aandragen waarop de opzegging rechtsgeldig is. Eén van deze gronden is dringend eigen gebruik, maar dit wordt streng toegepast en houdt slechts in dat de verhuurder zelf in het pand moet gaan wonen. Het pand verkopen valt hier niet onder! Dit betekent dat de brief die u op de mat heeft gekregen geen rechtsgeldige opzegging is en u het pand niet hoeft te verlaten als u dat niet wilt. Wat zijn uw mogelijkheden dan? We raden u aan eerst contact op te nemen met uw verhuurder om zo te proberen tot een minnelijke oplossing te komen (misschien wilt u zich wel laten uitkopen) en anders kunt u natuurlijk contact opnemen met de Rechtswinkel Utrecht voor een passend oplossing in uw situatie. Wij zijn telefonisch bereikbaar op 030 - 231 42 54 tijdens onze spreekuren en hebben een inloop uur voor huurrechtelijke kwesties op donderdagavond 19.00 – 20.30 uur.

Mijn buren hebben een vergunning aangevraagd voor een aanbouw aan hun huis. Wat kan ik hiertegen doen?

Als uw buren een vergunning hebben aangevraagd, zoals een vergunning voor een aanbouw aan hun huis, dan kunt u in beginsel (nog) niets ondernemen. Er is namelijk niet voldaan aan de voorwaarden om in bezwaar en beroep te kunnen gaan. In totaal moet er aan drie voorwaarden worden voldaan. Eén van de voorwaarden is dat er sprake moet zijn van een besluit. In ons geval is het besluit de beslissing op de aanvraag van de vergunning. Net als uw buren moet u het besluit afwachten. Het besluit moet bovendien – de tweede voorwaarde – genomen zijn door een bestuursorgaan. In de meeste gevallen worden besluiten genomen door een bepaald orgaan van de gemeente. Dergelijke organen vallen onder de wettelijke definitie van bestuursorganen. Als voldaan is aan deze twee eisen, dan moet aan de derde en laatste eis worden voldaan: u moet een belanghebbende zijn. Onder belanghebbende moet worden verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, zoals neergelegd in artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht. Aangenomen mag worden dat u, als buurvrouw of buurman, een belanghebbende bent bij een besluit tot het afgeven van een vergunning van aanbouw aan het huis van de buren.

Als aan alle drie de voorwaarden is voldaan, dan kunt u net als uw buren in bezwaar gaan en vervolgens, als het nodig blijkt te zijn, procederen bij de rechter. U kunt met andere woorden “meepraten” als aan alle drie de voorwaarden is voldaan. “Meepraten” is echter iets anders dan in het gelijk worden gesteld. In de bezwaarschriftprocedure en/of in een rechtszaak moet u belangen en normen aanvoeren die bedoeld zijn om uw belang te beschermen. In ons geval betekent het dat u normen en belangen moet aanvoeren die u, als buurvrouw of buurman, beschermen. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de aanbouw aan het huis niet beantwoordt aan enkele veiligheidsnormen die dienen om de veiligheid van de bewoners van het huis te garanderen. Op een dergelijke norm kunt u zich niet beroepen. Het gaat immers niet om een norm die dient om uw belangen, als buurvrouw of buurman, te beschermen. Als u in de bezwaarschriftprocedure in het gelijk wordt gesteld, dan wordt het besluit – in ons geval het verlenen van de vergunning – vernietigd en wordt er een nieuw besluit genomen. Als u in de bezwaarschriftprocedure in het ongelijk wordt gesteld en u gaat vervolgens met succes naar de rechter, dan wordt het besluit op bezwaar – dus het besluit genomen naar aanleiding van de bezwaarschriftprocedure – vernietigd. U gaat in beginsel terug naar de bezwaarschriftprocedure.

Wat moet u doen als uw ex-partner weigert om alimentatie te betalen

Wanneer uw ex-partner geen alimentatie meer betaalt, is het raadzaam eerst zelf contact te leggen met uw ex-partner. Er kunnen wellicht, in goed overleg, afspraken gemaakt worden over het betalen van het verschuldigde bedrag in termijnen. Helaas brengen echtscheidingen vaak mee dat de verstandhouding tussen ex-partners verstoord is, dit kan het maken van afspraken verhinderen.

Wanneer u er samen niet uitkomt heeft u een aantal mogelijkheden om de alimentatie te vorderen. Dit hangt af van wat er in uw echtscheidingsconvenant is opgenomen. Wanneer u samen met uw ex-partner een echtscheidingsconvenant heeft opgesteld met afspraken over de alimentatie en deze uitdrukkelijk door de rechter in zijn beschikking is opgenomen, heeft u een executoriale titel en kunt  u de alimentatie middels een deurwaarder afdwingen. Dit geldt ook wanneer u eenzijdig bent gescheiden en de rechter zelf een alimentatieverplichting en de hoogte daarvan is zijn beschikking heeft uitgesproken.

Met een zogenoemde executoriale titel kunt u dus contact opnemen met een deurwaarder die het openstaande bedrag voor u zal innen. Dit hoeft echter niet altijd de eerste stap te zijn. Makkelijker is om het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) in te schakelen. Dit is een overheidsinstelling die als taak heeft kosteloos onbetaalde kinder- en/of partneralimentatie alsnog voor u te innen. In eerste instantie proberen zij met behulp van bemiddeling te bewerkstelligen dat de alimentatie rechtstreeks aan u zal worden betaald. Wanneer uw ex-partner de alimentatie achterstand nog steeds niet betaald, neemt het LBIO de inning over en start een incassoprocedure.

Hierbij kan gedacht worden aan een beslagleging op loon of uitkering. De betalingsplichtige is verplicht opslagkosten te voldoen aan het LBIO. Wanneer het LBIO de betalingsachterstand niet kan voldoen uit het inkomen van uw ex-partner, zal zij een deurwaarder inschakelen die de zaak verder zal overnemen.

Meer informatie over de werkwijze van het LBIO en over het aanvragen van een verzoek tot inning, is terug te vinden in de instructievideo onder aan de pagina.

Wanneer de rechter in zijn beschikking geen alimentatieverplichting heeft opgenomen, behoort het inschakelen van een deurwaarder of het LBIO niet tot uw mogelijkheden. U kunt dan het beste contact opnemen met een echtscheidingsadvocaat. Hij zal met u de mogelijkheden doornemen om via de rechter alsnog een alimentatieverplichting af te dwingen. Let wel: in het geval u bent gescheiden met minderjarige kinderen, is het verplicht om een alimentatieregeling op te nemen in het convenant.

https://www.youtube.com/watch?v=qR7a-YHCrmc